Concertreis 1953

Fanfare sint Caecilia’s triomftocht over de Alpen

In 2013 maakte fanfare sint Caecilia een concertreis naar Uderns in het Oostenrijkse Zillertal.  Zestig jaar daarvoor, van 21 tot en met 25 augustus 1953, maakte de fanfare een reis naar Innsbruck,  een kleine 50 kilometer dichter bij huis. Tegenwoordig is zo’n reis redelijk eenvoudig te organiseren en te volbrengen. Maar was dat toen ook al zo gemakkelijk?

Uitgenodigd                                                                                                                             

Fanfare sint Caecilia had in 1951 in de superieure afdeling van het eerste Wereldmuziekconcours in Kerkrade iedereen van de bühne gespeeld. Dat leidde niet alleen tot enorme waardering en respect vanuit alle windstreken, maar ook tot een stroom aan uitnodigingen voor het geven van een concert. Eén van die uitnodigingen kwam van de Willtener-Stadtkapelle uit Innsbruck. Of sint Caecilia misschien zin had om deel te nemen aan het grote, internationale concours om de Tiroler Meistertitel! Een uiterst zwaar concours met 30 van de beste gezelschappen uit Oostenrijk, Zwitserland, Duitsland en Italië.

Zin hadden ze natuurlijk wel. Maar hoe moest dat, met zo’n hele fanfare naar Oostenrijk, niet lang na het einde van de Tweede Wereldoorlog? Het geld groeide niemand op de rug en de wegen waren niet wat ze nu waren. Onderweg en ter plekke waren wel accomodaties te vinden, maar de meesten hadden de oorlogsschade nog niet kunnen repareren.  Toch besloot het bestuur de uitdaging aan te nemen.

Met de bus

De zoektocht naar geschikte en vooral betaalbare touringcars duurde eindeloos.  Niet iedereen had telefoon en de post werd niet dagelijks bezorgd. Uiteindelijk bleken touringcarbedrijven De Boer uit Geleen en Vaassen uit Echt de goedkoopste.  Met de organisatie in Oostenrijk en met mogelijke pleisterplaatsen onderweg volgde een uitgebreide briefwisseling over mogelijkheden voor en kosten van overnachtingen en maaltijden. Het leidde tot een voor iedereen acceptabel aanbod. Fanfareleden konden mee voor 30 gulden, familieleden voor 40 gulden, familieleden van ereleden voor 50 gulden en ieder ander voor 55 gulden. Voor die bedragen kreeg men de reis naar Oostenrijk en  2 overnachtingen in Innsbruck, inclusief de warme maaltijden. De kosten werden gedrukt door zelf voor luchpakketten te zorgen. Voor de jeugdige leden stelde het bestuur middelen ter beschikking.

De bussen waren allesbehalve comfortabel en beschikten ook niet over grote bagageruimtes. De instrumenten pasten er in, maar daarmee was ook meteen vrijwel alle ruimte benut. Er was geen plaats voor koffers of grote tassen. Er volgde een dringende oproep aan alle reizigers om alleen wat handbagage mee te nemen. Niet de beste kleding, want die zou van zo’n reis alleen maar onnodig slijten. Een paar toiletspullen, asperines voor plots opkomende hoofdpijn  en hansaplast om kleine wondjes mee te behandelen. Zo gingen 135 man op pad.

Om de grenscontroles wat sneller te laten verlopen, had men een lijst gemaakt van meegenomen dure apparatuur. Dankzij die lijst weten we nu dat er 11 fototoestellen meegingen naar Innsbruck en 3 verrekijkers.

Goedgekeurd door de minister van oorlog

Voor 4 muzikanten bleef het lang onduidelijk of ze wel mee konden. Zij waren dienstplichtig en daar hoorden geen vakantiedagen bij. Een verzoek aan de garnizoenscommandanten om een uitzondering te maken, had geen resultaat. De Commissaris van de Koningin wees de fanfare er op dat een verzoek voor bijzonder verlof aan de minister van oorlog gericht moest worden. Vanuit Oostenrijk werd een aanbevelingsbrief geschreven door dr. Josef Schumacher, de president van de Internationaler Blasmusikwettbewerb.  Hij had dat ook al moeten doen voor de deelnemende  Italiaanse korpsen, via hun consul in Rome, en met succes. Er kwamen zelfs aanbevelingsbrieven van de Oostenrijkse consul en van de minister van Buitenlandse Zaken van Oostenrijk aan te pas! Een kopie van die aanbevelingen ging naar prins Bernhard, destijds niet alleen de man van koningin Juliana, maar ook voorzitter van een verbond dat culturele uitwisselingen stimuleerde en ondersteunde. Het bijzondere verlof voor de 4 muzikale militairen kwam er, zij het pas op het allerlaatste moment.

Logies geregeld

Om voor iedereen een passend onderkomen te regelen, moest de fanfare een waslijst aan gegevens overleggen. Voorzitter Josef Houben drukte de Innsbruckers op het hart dat iedereen goed katholiek was en dat zich 25 dames in het gezelschap bevonden, waarvan 10 ongehuwd. Voor 120 man werd een plek gevonden in een soort jeugdherberg, voor 15 in betere, lees: onbeschadigde huizen. De bedden zouden goed en schoon zijn. De jeugdherberg beschikte niet over bestek en de organisatie kon dat, naar eigen zeggen, beslist niet voor haar rekening nemen. Daarom werden bij de firma Knibbeler voor 18 gulden 120 vorken, 120 messen en 120 lepels gehuurd. De warme maaltijden werden bereid en geserveerd in een deel van het gemeentehuis. De organisatie liet eerlijkheidshalve vooraf weten dat het niet Innsbrucks mooiste gebouw betrof, omdat het in de oorlog door bommen getroffen werd. Ze beloofden dat het aan de kwaliteit van het eten niets zou afdoen. Gratis maaltijden voor de muzikanten, de aanhang betaalde 6 shilling. Een halve liter bier zou 2,80 shilling gaan kosten, wijn 6 shilling, een borrel 1,50 shilling en 20 sigaretten 6 shilling. Een shilling was destijds ongeveer 15 cent waard. Het was trouwens nog een heel karwei om iedereen van voldoende buitenlands geld te voorzien. Het bestuur verzamelde van alle deelnemers de verschuldigde guldens en zette die bij de Rotterdamsche Bank om in shillingen en marken.

Een eindeloze reis

De reistijd naar Uderns in 2013 bedroeg ongeveer 12 uur. In 1953 vertrok men op vrijdagmorgen om 7 uur naar Innsbruck. Daar kwam men, na pauzes in Köln, Heidelberg en Kirchheim,  op zaterdagmorgen om 8.30 uur aan! Maandagochtend vertrok men om 8 uur weer uit Innsbruck. Maandagavond werd er nog een concert gegeven in Ulm. Het maakte de reistijd weliswaar nog langer, maar als dank voor het concert kon men in Ulm van een gratis avondmaaltijd genieten.  Vooraf had het bestuur de nodige informatie proberen te krijgen over de actuele situatie in Ulm. Dat lijkt nu misschien overbodig, 8 jaar na het einde van de oorlog, maar dat was het toen niet. Het Duitse reis-informatiebureau liet weten dat ze niet precies wisten welk gedeelte van Ulm meer of minder bescgadigd was. De gemeente Ulm liet weten dat een concert alleen in de open lucht mogelijk was omdat alle accomodaties in de oorlog ernstig beschadigd waren en nog niet opnieuw opgebouwd.

Om de lange heen- en terugreis wat te veraangenamen verkocht het bestuur in de bus sigaretten en sigaren. Daar was grote vraag naar, ook omdat de prijs opmerkelijk laag was. Omdat de rookwaar in het buitenland werd verkocht, kon men de accijns van de Nederlandse belastingdienst terugvragen. Maar liefst 600 pakjes sigaretten en 60 dozen sigaren gingen over de toonbank. Men kon kiezen uit Miss Blanche, Old Mac, Caballero, Roxy, Lexington, Cross en Red Bleu. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat een klein gedeelte van de voorraad werd gebruikt om grenswachten en buschauffers tevreden te stellen.

Het concours

Zaterdagmiddag om 15.30 uur moest men al aantreden voor het concours. Dat vond plaats in het park van het Breinössl-hotel aan de Maria Theresienstrasse. Grote zalen waren niet meer of nog niet beschikbaar.

Dirigent Nic Dieteren wilde voorafgaand aan het optreden, om 13.30 uur, nog even repeteren. Bedenk dat men pas een paar uur eerder uit de bus was gestapt. Voorzitter Houben deed een dringende oproep aan iedereen om het in die paar tussenliggende uren rustig aan te doen:

‘Iedereen wordt ten zeerste aangeraden om na een verfrissing en het gebruik van het ontbijt, tot de middag te gaan rusten. Dit is voor iedereen ten zeerste gewenst om niet oververmoeid te worden, doch voor de muzikanten is dit, met het oog op het concours, vanzelfsprekend een ereplicht. We twijfelen er niet aan dat een goede uitslag van de wedstrijden de gezelligheid aanmerkelijk zal verhogen. Ook daarom is het voor de muzikanten noodzakelijk om vooral voorzichtig te zijn met het gebruik van drank en om niet te veel te roken, in één woord, om het rustig aan te doen, zolang de wedstrijden niet achter de rug zijn.’

Onderdeel van het concours was een marswedstrijd door de straten van Innsbruck. Het werd misschien wel het hoogtepunt van de reis. Tienduizend toeschouwers langs de straten, sint Caecilia marcherend door de Rennweg met op de achtergrond de machtige Alpentoppen. Uit krantenverslagen weten we dat het enthousiasme van het publiek zo groot was dat sint Caecilia gedwongen werd enkele kilometers met marsmuziek door de hoofdstraten van Innsbruck te marcheren.

Tiroler Meister

Voorafgaand aan het concours werd in Schinnen 6 weken lang 3 keer per week gerepeteerd om de ouverture Semiramis van Rossini, de ouverture 1812 van Tschaikowsky, de Slavische Rhapsody nummer 2 van Friedemann en de mars My regiment onder de knie te krijgen. Echtgenoten, verloofden en andere huisgenoten werd dringend verzocht hier begrip en medeleven voor te hebben. De inspanning zou beloond worden. Sint Caecilia won in Innsbruck de concertwedstrijd, de erewedstrijd en de marswedstrijd. Dat leidde uiteraard tot het hoogste aantal punten van het concours. De prijs bestond uit de Tiroler Meistertitel, een gouden hoorn én een marmeren rookstel, beschikbaar gesteld door de Oostenrijkse minister van Handel en Wederopbouw.

Al die prijzen kon men niet meteen mee naar huis nemen. Daar moesten nog allerlei handwerkslieden en kunstenaars aan te pas komen om de puntjes op de i te zetten. Pas in 1954, bij de viering van het 80-jarig bestaansfeest, werden de prijzen overhandigd door de heer Wagemans, referendaris op het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Minister Cals van dat ministerie had de prijzen vanuit Oostenrijk langs diplomatieke weg ontvangen.

Ohne Fleiss kein Preis

Secretaris Math Nijssen van sint Caecilia bouwde voorafgaand en tijdens de reis een nauw contact op met de heer Luif, secretaris van het concours.  Hij nodigde de hem uit om naar Schinnen te komen. Dan kon hij de armoede en de oorlogsherinneringen van Innsbruck even achter zich laten en even genieten van de (relatieve) welvaart bij ons. Volgens Nijssen leefden de inwoners van Schinnen in 1953 een prinsenleven, vergeleken met de omstandigheden waaronder de inwoners van Innsbruck toen leefden.

De heer Luif was een niet alleen een bevlogen secretaris, hij toonde zich ook een goed verliezer. Zijn schriftelijke feliciitatie aan sint Caecilia bevatte onder meer de volgende prachtige alinea:

‘Es freut mich ganz besonders dass der Tiroler Meistertitel i Ihr Land gezogen ist.  Bitte, ich bin bestimmt Patriot. Es hatte mich sehr gefreut wenn dieser Titel in unserem Tirolerland geblieben wäre, jedoch ohne Fleiss kein Preis! Ich kann mir denken dass Inhen Ihre Heimat einen schönene und eindrucksvollen Empfnag bereitet hat und das Ihnen allen die Herzen höher schlugen. In einem solchen Moment vergisst man alles, man könnte sich vielleicht slebst vergessen in diesem Freudentaumel, denn wir haben, Ihr sowie wir, mit Freunde sehr lange sparen müssen, gedenken wird an die entsetzlichen Auswirkungen des letzten Krieges.’

Kranten en Thuiskomst en kranten

De prestaties van sint Caecilia haalden de kranten in binnen- en buitenland. In het weekblad Land Tirol lezen we:

‘Het korps op zichzelf is als fanfare voortreffelijk opgebouwd en heeft in alle regsiters prima technici, hetgeen nog meer waarde heeft als men weet dat 80 procent van de leden in de mijnen werkt en 25 procent het 17de levensjaar nog niet heeft bereikt.’

De Gazet van Limburg meldde:

‘Deze Nederlandse fanfare onder leiding van de uitstekende dirigent N. Dieteren was onbestreden de beste onder alle deelnemers. Innsbruck heeft nog nooit zo’n goede fanfare gehoord en haar grote succes was dan zeker verdiend. Het is in Innsbruck nog nooit gebeurd dat het publiek zo’n geestdriftige hulde bracht aan een muziekgezelschap. Tot 3 maal toe werden de muzikanten door stormachtige ovaties gedwongen voor het publiek recht te staan om hun hulde in ontvangst te nemen.’

Thuis wachtte het korps een prachtige huldiging door autoriteiten en burgerij. Talrijke zusterverenigingen en vrienden kwamen hun felicitaties aanbieden. De fanfare kreeg van de bevolking van Schinnen een vlag aangeboden, gemaakt door kunstschilder Henri Ritzen.

Tirolerglas und Rehkrücke

Voorzitter Houben had de organisatoren in Innsbruck vooraf duidelijk gemaakt welk gezelschap ze te verwachten hadden:

Am Samstag- und Sonntagabend wollen wir Innsbruck erobern. Während viele Burschen wohl die meisten Wirtschaften der Stadt aufsuchen werden, wäre es uns doch angenehm wenn Sie uns ein paar Adressen angeben könnten wo wir uns mit grossen Gruppen gut amusieren können. Es müssen einfache Geschäfte sein, mit gutem Bier und Wein, wo die Inhaber sich nicht sofort ärgern wenn die Gäste lärmvoll werden. Denn wir sind eine lustige Gesellschaft und eben wenig wie Musik machen braucht man uns irgends trinken zu lernen!

Na afloop van de reis viel er slecht één klacht te noteren. De baas van der Roter Adler liet weten dat een Tirolerglas en een Rehkrücke vermist waren. Een groot bierglas en een kapstokje gemaakt van een hertengewei. Secretaris Luif wilde er verder weinig woorden aan vuil maken. Volgens hem was het allemaal niks vergeleken met wat het Münchner Hofbräuhaus jaarlijks kwijtraakte. Van de Innsbrucker organisatie kreeg sint Caecilia niks dan complimenten en dank dat de vereniging zo verstandig en begripvol had gereageerd op de toch vaak moeilijke omstandigheden.

Zo kwam er een einde aan een historische triomftocht van fanfare sint Caecilia naar de Alpen. De manier van reizen is inmiddels enorm veranderd, maar het karakter van de vereniging is gelukkig nog steeds zoals voorzitter Houben het in 1953 omschreef.